Schouten sluit beperkingen bouwplan in nieuw mestbeleid niet uit

Met name op de zand- en lössgronden worden de waterkwaliteitsnormen volgens Schouten lang niet altijd gehaald. Onderzoek laat zien dat de norm van 50 mg/l nitraat door ongeveer 75 procent van de akkerbouwbedrijven in de zandregio wordt overschreden, schrijft de minister in de Kamerbrief. ‘Intensieve vruchtwisseling met uitspoelinggevoelige, ondiep wortelende teelten, zoals consumptieaardappelen en prei, op droge uitspoelinggevoelige zand- en lössgronden leidt tot te hoge nitraatconcentraties in het grondwater en te veel belasting van het oppervlaktewater. De meest rechttoe-rechtaan ingreep voor dit probleem, die door sommige stakeholders naar voren is gebracht en ook in debatten in de Kamer naar voren is gekomen, is door beperkingen te stellen aan teelten of zelfs uitspoelinggevoelige gewassen op uitspoelinggevoelige gronden te verbieden.’
Zover wil de minister vooralsnog niet gaan. Zij werkt momenteel aan een pakket van maatregelen om een substantiële verbetering van de waterkwaliteit in deze gebieden te bereiken. Schouten denkt hierbij aan het stimuleren van opname van niet-uitspoelinggevoelige gewassen (zoals gras en granen) in vruchtwisselingsschema’s, het stellen van beperkingen aan bouwplannen, gebruiksnormen en/of gebruiksvoorschriften. Ook innovaties kunnen hierbij volgens de minister een belangrijke rol spelen. ‘Zo kan het verder ontwikkelen van teelt boven/los van de grond, denk aan het telen van (uitspoelinggevoelige) gewassen in bakken, ervoor zorgen dat meststoffen niet direct in oppervlakte- en grondwater terechtkomen.’
Maximale melkproductie per hectare
Door onderscheid te maken tussen grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderijen wordt het volgens de minister in de Kamerbrief niet allen mogelijk om naar een situatie toe te gaan met transparantere meststromen, waardoor mestafvoer van overschotbedrijven beter geborgd wordt. Schouten verwacht dat het onderscheid ook sterk bijdraagt aan het grondgebonden laten worden van melkveehouderijen en het professionaliseren van de mestverwerking door intensieve sectoren. ‘De facto komt dit beeld er op neer dat ik in de toekomst een volledig grondgebonden melkveehouderij en rundvleesveehouderij voor me zie.’
Om de grondgebondenheid voor elkaar te krijgen denkt de minister aan het in overeenstemming brengen van de mestproductie met de mestplaatsingsruimte, maar ook aan een maximaal aantal dieren en/of een maximale melkproductie per hectare. Eenvoud en eenduidigheid van het stelsel is daarbij volgens Schouten een belangrijk uitgangspunt. Ook kunnen verschillende gradaties van grondgebondenheid worden onderscheiden, van zeer extensief tot een intensievere bedrijfsvoering waarbij op basis van derogatie en mogelijk bedrijfsspecifieke verantwoording alle mest op eigen grond, of op grond in een regionaal samenwerkingsverband, kan worden geplaatst.
Mest volledig verwerken
De intensieve veehouderij (met name varkens, pluimvee en vleeskalveren) zal, omdat deze bedrijven over het algemeen niet over voldoende eigen grond beschikken voor het kunnen uitrijden van de geproduceerde mest, naar verwachting voor het overgrote deel er voor kiezen alle mest te verwerken, schrijft Schouten in de Kamerbrief. ‘Het is voor deze sectoren wel mogelijk om te kiezen voor grondgebondenheid. Voor de melkveehouderij, die al voor een groot deel grondgebonden of bijna-grondgebonden is, vind ik het onwenselijk als een situatie zou ontstaan waarin melkveehouders alle mest zouden laten verwerken. Eerder is de stap gezet om alleen grondgebonden groei van de melkveehouderij mogelijk te maken. Ik wil hierin verder gaan door ook bestaande situaties van melkveehouders die in verhouding met het aantal koeien dat zij houden over weinig land beschikken, stimuleren om hun bedrijf grondgebonden te maken.’
Het honderd procent verwerken van alle geproduceerde mest van niet-grondgebonden bedrijven zal investeringen en veranderingen in bedrijfsmanagement vergen, laat de minister de Tweede Kamer weten. ‘Qua management betekent dit dat deze bedrijven niet meer hun eigen onbewerkte mest op eigen grond plaatsen. Zij zullen voor het bemesten van eigen grond gebruik maken van mest uit een samenwerkingsovereenkomst met een (mede daardoor) grondgebonden ondernemer, of bewerkte mest aanvoeren.’
Mestoverschot
Aanpassing van het huidige mestbeleid is volgens Schouten noodzakelijk omdat er in Nederland nog steeds sprake is van een mestoverschot; de veestapel produceert meer mineralen dan wat op de landbouwgronden binnen de normen kan worden aangewend, stelt Schouten in de brief. De kwaliteit van het grondwater is behoorlijk verbeterd, maar de norm van 50 mg/l nitraat wordt op de droge uitspoelingsgevoelige zand- en lössgronden niet gehaald. De verbetering van het grondwater stagneert volgens de minister de laatste jaren. Ook de hoeveelheid stikstof en fosfor in het oppervlaktewater ligt boven de doelen.
Daarnaast stelt de minister dat boeren worstelen met generieke normen voor de mestproductie en de opbrengst van teelten, die niet altijd passen bij hun bedrijf. ‘Dit alles vraagt om een aanpak waarbij we enerzijds recht doen aan de verschillende milieu-opgaven en anderzijds perspectief bieden aan de sector door een goed werkbaar mestbeleid, waarin boeren binnen gestelde kaders hun eigen keuzes kunnen maken en gestimuleerd worden tot innovatie.’

Tekst: Stefan Buning
Geboren en getogen op een melkveebedrijf in de Achterhoek. Sinds 1998 werkzaam als redacteur bij Agrio. Als chef Melkvee is hij samen met zijn team verantwoordelijk voor het kritisch volgen van alles wat er in en om de melkveehouderij in Nederland gebeurt.
Beeld: Ellen Meinen
Bron: Susan Rexwinkel