Mengsel heeft meerwaarde, mits geen vermeerdering bodemziekte

Wereldwijd is sprake van afname van de biodiversiteit. Mommer: „Afname van de biodiversiteit is een bedreiging voor de maatschappij. Het is door de mens veroorzaakt. Dat is het slechte nieuws. Het goede nieuws is dus dat we een mogelijkheid hebben er wat aan te doen.” Het beste scenario voor herstel van de biodiversiteit is volgens de onderzoeker om zowel aan natuurbescherming te doen als aan duurzamer produceren en consumeren.
Voor telers is er ook een plus, is de boodschap van Mommer. Een biodivers groenbemestrmengsel produceert meer biomassa per oppervlakte. „Ondergronds zien we hetzelfde bij meer soorten. De aggregaten (klontjes in de bodem) worden groter. Daardoor is de infiltratiecapaciteit van water groter, is er meer koolstof in de bodem, waardoor er meer bacteriën en schimmels kunnen leven. In Amerikaans onderzoek is aangetoond dat er meer stikstof gebonden wordt in mengsels, dat de onkruidonderdrukking hoog is en dat de opbrengsten van volggewassen goed zijn.”
Mommer denkt dat meer kennis over de invloed van groenbemestermengsels gewenst is, met name waar het de ontwikkeling van ziekten en plagen betreft. Hoe reageert de bodembiodiversiteit op groenbemestermengsels? Die vraag kan bijdragen aan de juiste keuzes in combinaties van groenbemesters in de mengsels. Er is ervaring met biodiversiteit vanuit ecologisch onderzoek. „Daarin zijn aanwijzingen dat een actief en divers bodemvoedselweb leidt tot lagere ziektedruk. Wij denken dat het kan bijdragen aan minder plagen en meer natuurlijke vijanden.”
Overigens blijkt dat de soortenrijkdom in een monocultuur al sterk kan verschillen per gewas of groenbemester. Daarom stelt Mommer zichzelf de vraag wat een mengsel van verschillende soorten met de balans van levensvormen doet. Is het een gemiddelde van de biodiversiteit uit de individuele soorten of is het meer of minder?
Concurrentie
Meekijkende telers bij de online Groenbemesterdag vragen of een mengsel van groenbemesters zichzelf niet gaat beconcurreren. Mommer denkt dat dit gunstig uit kan pakken. De soorten in het mengsel die goed presteren onder de weersomstandigheden van dat jaar kunnen zich extra ontwikkelen en zo bij onverwachte omstandigheden compenseren met goede productie van organische stof.
Op de vraag of een mengsel ook gezien kan worden als een verruiming van het bouwplan, antwoordt onderzoeker Wiepie Haagsma dat dit zeker een stuk afwisseling kan toevoegen. „Daarbij kan je ook kiezen voor afwisseling in soorten mengsels. Zo kan je op een arme stoppel andere soorten kiezen dan op een rijke.”
Bij late zaai denkt Haagsma dat een klein voordeeltje voor de mengsels is dat sommige kwetsbaardere soorten profiteren van de 'beschutting' door andere soorten. Dit is een klein effect. Bij echt later zaaien is kiezen voor op koude hardere soorten beter, zeker als de extra kosten voor duur zaad toch geen plus opleveren.
Vroeger zaaien is gunstig voor de biomassaproductie, zegt Haagsma. Ze raadt alleen af om soorten die dan in zaad schieten daartussen te hebben, of de teler moet al een extra bewerking willen en kunnen toepassen.
Beter wel dan niet groenbemester
Aaltjesonderzoeker Johnny Visser vult aan op het onderwerp bodemplagen. Hij zegt dat je het beste de goede soorten kunt kiezen om bodemziekten te beheersen, maar dat in de praktijk het zaaien van (bijna) elke groenbemester gunstiger uitvalt dan zwarte braak. Beter wat dan niets, concludeert presentator Marie Wesselink, al is goed kiezen nog beter.

Tekst: Jorg Tönjes
Beeld: WUR