Veilig werken met gewasbeschermingsmiddelen

Handschoenen
Draag buiten de cabine van de trekker altijd handschoenen. Een goede handschoen moet altijd vloeistofdicht zijn, een lange manchet hebben, niet gemakkelijk scheuren en bestand zijn tegen chemicaliën. Gebruik bij voorkeur handschoenen met katoenen binnenhandschoenen. Deze vergroten het draagcomfort doordat ze zweet absorberen. Bovendien verkleinen ze de kans op rubberallergie.
Bij het langdurig dragen van handschoenen kan soms huidirritatie optreden; dit is te voorkomen door de handen vooraf met een huidbeschermingscrème in te smeren. Hiermee wordt ook voorkomen dat 'toch even' de handschoenen uitgetrokken worden, waardoor het gevaar van verontreiniging van de binnenkant van de handschoenen ontstaat.
Leg gebruikte, vuile handschoenen nooit in de cabine, maar berg ze op in een aparte kist/emmer.
Draag de mouwen van de spuitoveral altijd over de handschoenen heen.
Laarzen
Trek altijd laarzen aan bij het werken met middelen. Gewone rubberen of PVC-laarzen voldoen goed.
Draag de pijpen van de spuitoveral altijd over de laarzen heen.
Spuitoverall
Draag bij het werken met spuitmiddelen altijd een vloeistofdichte spuitoveral. Een goede spuitoveral is voorzien van elastiek in de manchetten en broekspijpen, een capuchon en een afdichtende overslag bij de ritsen (dit geldt zowel voor duurzame spuitoverals als voor wegwerpoverals!). Let er bij een duurzame overal op dat deze ademend is, dat draagt comfortabeler.
Controleer de spuitoveral voor gebruik altijd even op scheuren en verontreinigingen.
Spoel een duurzame kunststofoveral na gebruik grondig af en hang hem op een koele droge plaats (nooit in de middelenkast!). Was spuitkleding apart van andere kleding.
Spuitmasker
Draag bij het werken met giftige, bijtende of schadelijke spuitmiddelen altijd een spuitmasker. Afhankelijk van het type (spuit)werk kan er een halfgelaatsmasker, een volgelaatsmasker of een airstream-helm worden gebruikt.
Een volgelaatsmasker of airstream-helm (waarbij gefilterde lucht onder een geringe overdruk onder de luchtkap gebracht) is sterk aan te raden wanneer er een middel wordt toepast waarbij niet alleen de ademhaling, maar ook de ogen en het gezicht beschermd moeten worden. Dit is onder meer het geval bij de aanmaak van (zeer) giftige of bijtende stoffen. Ook bij het veelvuldig werken met middelen in een gesloten ruimte is een volgelaatsmasker noodzakelijk.
Bij de meeste (buiten)toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen kan een halfgelaatsmasker worden gebruikt worden, al bieden deze altijd minder bescherming dan een volgelaatsmasker!
Zorg ervoor dat het masker goed aansluit op het gezicht. Bij snordragers sluit alleen een volgelaatsmasker goed aan; bij baarddragers is de aansluiting per definitie lastig.
Zorg ervoor dat het masker van de juiste filterbus is voorzien. Voor de meeste gewasbeschermingsmiddelen is dat een bruine filterbus voorzien van de code A2P2 (ook wel A-st genoemd). De beschermingsduur van een filter is afhankelijk van het gebruik.
Als u zeker weet dat het masker goed afsluit en u ruikt toch het toegepaste middel, dan is dit een teken dat het filter verzadigd is. In dat geval moet de filter direct vervangen worden.
Schroef na gebruik de filter van het masker af en breng de afsluitdop aan. Spoel daarna het masker in water met groene zeep, laat het drogen op een warme plaats en berg hem op in een afsluitbare emmer. Reinig het masker na ieder gebruik en bewaar het op een koele plaats, buiten de bewaarruimte van spuitmiddelen.
Tekst: Harrie Hoitink
Beeld: Ellen Meinen