
‘Zonder overleg en kennisuitwisseling verliest aardappelsector grip op AM’

Dat is de conclusie van het vierjarige HLB-project Beheersing van Veenkoloniale AM. Binnen dit project was er veel interactie tussen telers en kennisinstituten zoals het HLB en de vakgroep nematologie van Wageningen UR. Hierdoor stroomt veel kennis vanuit de praktijk ook door naar deze onderzoekers en andersom wordt de nieuwe kennis vanuit de universiteit door HLB vertaald naar de betreffende zetmeeltelers in de Veenkoloniën, is de ervaring van de betrokken partijen.
Puzzel
Die uitwisseling is nodig, vindt Schepel. „Bij AM en de nieuwe virulenties is het van groot belang om te weten hoe ze zich verspreiden, maar ook om te weten et welke aardappelrassen je de goede dingen kunt doen. Dat is ook voor het HLB een puzzel. De virulenties veranderen steeds, daarom moet je voortdurend een vinger aan de pols houden. Tijdens het project gebeurde dat, maar nu het project is beëindigd, verdwijnt die focus.”
De rentabiliteit van de Veenkoloniale akkerbouw staat sterk onder druk door de continue doorontwikkeling van de ziekte aardappelmoeheid, de opmars van wratziekte en het verdwijnen van het effectieve granulaat Vydate. Telers moeten aanhoudend worden getraind om de bedreigingen het hoofd te kunnen bieden, stelt het HLB. Schepel: „Als we de afgelopen jaren niet zoveel kennis hadden uitgewisseld en met elkaar overlegd, zouden we nog veel meer achterlopen.”
Rassenkeuzetoets
Belangrijk bij de adviezen aan telers bij de aanpak van AM is een goede monitoring door bemonstering en een verantwoorde selectie van aardappelrassen op basis van kennis uit rassenkeuzetoetsen. Op deze manier zijn veel probleempercelen aangepakt. Op basis van laboratoriumuitslagen met hoge besmettingen zijn veel rassenkeuzetoetsen ingezet. Door al deze rassenkeuzetoetsen neemt de kennis over de AM-problematiek in de Veenkoloniën sterk toe en kan de sector steeds meer populaties met de juiste rassenkeuze enigszins beheersen of stabiliseren.
Wat het HLB ook steeds meer ziet, is dat populaties – zelfs met de beste rassen uit de rassenkeuzetoets – niet meer naar een laag niveau zijn te brengen. Dit fenomeen wordt in meer aardappelteeltgebieden in West-Europa gevonden. Dit baart het HLB grote zorgen: „Hopelijk komt er op korte termijn een aantal nieuwe rassen met nog bredere (nieuwe) resistenties beschikbaar.” Voor de praktijk is hier op korte termijn nog niet veel van te verwachten, aldus het HLB.
'Achter de feiten aan'
Als aardappelsector loop je bij AM voortdurend achter de feiten aan, meent Schepel. „De snelle vermeerdering is er, pas daarna zie je de effecten hiervan op de resistentie.” Rasontwikkeling is daarom altijd volgend. „Je kunt niet op voorhand zeggen hoe de virulentie zich gaat ontwikkelen.”
Het aantal deelnemers over de afgelopen jaren is ruim 100 zetmeelaardappeltelers. Het doel was om tijdens het project op minimaal 75 telers uit te komen en dat is dus vanaf het begin ruim behaald. „Dit laat ook duidelijk zien dat het onderwerp sterk leeft onder de telers.”
Praktijkproeven
Om vast te stellen hoe het is gesteld met de verspreiding van de virulentie over percelen, zijn praktijkproeven gedaan. Op vijf percelen in de Veenkoloniën zijn in het voorjaar van 2020 en op nog eens vijf andere percelen in 2021 kort voor het poten circa 50 AM-monsters van 2 x 2 meter, oftewel 4 vierkante meter per perceel genomen. Elke monsterlocatie is precies vastgelegd met GPS. Na de oogst van de aardappelen in herfst 2020 en herfst 2021 zijn op precies dezelfde plekken opnieuw monsters gestoken om de AM-besmetting te meten.
De monsters hiervan zijn in het laboratorium verwerkt en de resultaten geven het HLB nieuwe inzichten hoe de virulentie zich op percelen ontwikkelt en over percelen verspreidt. De resultaten hiervan geven nieuwe inzichten in de beheersing van virulente AM: Het blijkt dat nieuwe virulente besmettingen vaak eerst op kleine plekjes beginnen en dan langzaam zich verdelen over de percelen. Dit houdt in dat bemonstering op percelen met geen of weinig besmetting nog belangrijker wordt. Ook verklaart dit de soms sterk wisselende uitslagen bij zeer extensieve bemonstering, aldus het HLB.